8 jaar is hij, en dingen die hij niet kan, doet hij liever niet. Hij kan dat ook heel goed inschatten, vindt hij zelf: binnen enkele milliseconden weet hij of hij een taak of opdracht kan, of dat het hem niet gaat lukken. En in dat laatste geval, dan begint hij er gewoon niet aan.

Zijn tactiek werkte een tijdje best goed, maar nu begint hij toch vast te lopen. Althans: dat vinden zijn ouders. Hij raakt in de stress voor toetsen, wil niet oefenen met lezen, durft niet in een zwembad te springen (je weet nooit hoe diep het is…) en zijn typecursus? Daar begint hij helemaal niet aan.

Als hij bij mij komt, starten we met een aantal spellen. Op die manier kunnen we elkaar rustig leren kennen. Hij ziet wie ik ben en kan vertrouwen opbouwen, en tijdens het spelen van de spellen zie ik ook al heel veel over hoe hij in elkaar zit. Zo zie ik dat hij uit zichzelf vooral spellen kiest die voor hem heel gemakkelijk zijn: hij kan deze spellen prima, maar haalt er weinig plezier uit en vindt ze saai. Een moeilijker level van een Smartgame doet hij liever niet (stel je voor dat het niet lukt…).

Naarmate we elkaar beter leren kennen, merk ik dat er een ingang ontstaat om te praten over hoe ‘leren’ eigenlijk werkt. Aan de hand van een Smartgame leg ik uit hoe hij in elk level nieuwe kennis en ervaringen opdoet die we kunnen gebruiken bij de moeilijkere levels. We komen er gaandeweg achter welke tactieken goed werken: dát is leren!

Na een aantal sessies wil ik datgene wat hij geleerd heeft, in de praktijk gaan brengen door met hem aan zijn typecursus te werken. De typecursus is alles waar hij een hekel aan heeft: repetitieve, saaie opdrachten onder tijdsdruk, waarbij het zeer duidelijk gemaakt wordt wanneer hij een fout heeft gemaakt. Het kost wat overtuigingskracht, maar uiteindelijk haalt hij zijn laptop tevoorschijn en klapt deze open. Hij werpt een blik op zijn scherm, ziet dat zijn laptop niet met de wifi verbindt en zegt opgelucht: ‘ah, we kunnen niks doen, de wifi is op!’.

Jammer genoeg (voor hem) blijkt dit probleem zeer eenvoudig op te lossen door het wachtwoord van ons wifi-netwerk in te voeren. Helaas voor hem, want hij zal dus toch geconfronteerd worden met de door hem zo gehate typecursus. Hij doet een aantal oefeningen, ik doe ook een aantal oefeningen en we bespreken wat we hebben geleerd. Thuis bouwt hij de oefentijd langzaam op: eerst 5 minuten, daarna 7 minuten, daarna 10 minuten. Na een aantal weken kijken we terug: welke vooruitgang heeft hij al geboekt? Wat gaat er nu beter dan een paar weken geleden? Tot zijn vreugde merkt hij dat oefenen dus daadwerkelijk effect heeft. En dat zijn eerste oordeel (‘ik kan dit dus niet’) misschien niet helemaal blijkt te kloppen.. Oefenen blijkt niet alleen iets te zijn wat je doet als je iets al kunt, maar juist ook als je iets nog níét kunt.

En de uitspraak ‘de wifi is op’? Die gebruiken Monique en ik nog steeds, bijvoorbeeld als we een digitaal klusje moeten doen waar we een beetje tegenop zien. Want stiekem herkennen we de uitdagingen van onze doelgroep ook wel bij onszelf…