Een aantal weken geleden was ik op een wijn/wandelreis. Op reizen als deze, waar deelnemers elkaar niet kennen, gaan gesprekken vaak over werk. Mijn werk zorgt daarbij altijd voor verbazing en interesse. Mensen vinden het vaak interessant, willen weten hoe ik erbij gekomen ben om dat werk te doen, willen weten of ik zelf ook hoogbegaafd ben, wat ik dan zoal doe, en dat soort dingen. In deze gesprekken merk ik echter ook vaak dat er rondom hoogbegaafdheid nog steeds vooroordelen bestaan, en onbegrip. Zoals dus deze vraag: “Waarom ben je geen hoogleraar dan, als je hoogbegaafd bent?”
Deze vraag zorgde bij mij voor verwarring. Enerzijds omdat ik zojuist had uitgelegd hoe fijn en zinvol ik mijn werk vind, hoe ik geniet van de contacten met ouders, kinderen en (jong)volwassenen, en hoe belangrijk het is dat er meer kennis en begrip over hoogbegaafdheid komt. Deze vraag kwam op mij over alsof mijn werk minder ‘waard’ was dan hoogleraar zijn.
Anderzijds bracht deze vraag mij in verwarring omdat het nu juist geen wet van Meden en Perzen is dat je hoog scoort, goede schoolresultaten behaalt, of een universitaire baan krijgt, als je hoogbegaafd bent. Dat het een hele struggle kan zijn om je weg te vinden in het schoolsysteem, in het werken voor een baas, in het vinden van waar je echt warm voor loopt. Kortom, om je weg te vinden in het leven.
In dit gezelschap heb ik mijn best gedaan dit te verwoorden, op een zachte, aardige manier. Of de boodschap aangekomen is, weet ik niet. Ik hoop het. Maar het stemt me verdrietig dat het nog steeds een lange weg is om helderheid te verschaffen over hoogbegaafdheid en de betekenis ervan op persoonlijk vlak.
24 augustus 2026