Toen ik op mijn achttiende begon aan de academische pabo, wist ik één ding zeker: ik wilde kleuterleerkracht worden in het reguliere onderwijs. Het speciaal onderwijs? Dat leek mij niets. Daar was ik stellig van overtuigd.

Totdat ik tijdens mijn opleiding verplicht stage moest lopen in het speciaal onderwijs. Ik kwam terecht op een cluster 2-school, voor dove en slechthorende leerlingen en kinderen met een taalontwikkelingsstoornis. Ik werd warm onthaald in een bijzonder fijn team. Ik zag kleine klassen waar écht ingespeeld kon worden op de onderwijsbehoeften van leerlingen en ik zag leerkrachten die verder keken dan alleen gedrag. Wat probeert een kind ons te vertellen? Welke behoefte zit er achter het gedrag?

Die ervaring veranderde mijn eens zo stellige overtuiging. Ik besloot om mijn afstudeerstage in het speciaal onderwijs te doen (dat was even schakelen voor de Hogeschool Utrecht…) en ik besloot om, naast mijn master Orthopedagogiek, te blijven werken in het speciaal onderwijs. Na wat omzwervingen op andere scholen, ben ik inmiddels terug in het speciaal onderwijs. Ik werk met veel plezier op een cluster 4-school met expertise in autisme. Ook hier merk ik hoe bevlogen het team is en hoe hard er wordt gewerkt om het beste te bieden voor elk kind. Verder kijken dan alleen het gedrag dat een kind laat zien, zorgt ervoor dat een kind écht verder komt.

Waar ik eerst overtuigd was van het feit dat leerlingen met speciale onderwijsbehoeften niet ‘mijn doelgroep’ waren, is dit inmiddels totaal veranderd. Het is een enorme puzzel om verder te kijken dan gedrag en erachter te komen wat een kind verder helpt. Ook als orthopedagoog is dat de kern van mijn werk, waarbij (vermoedelijk) dubbel bijzondere leerlingen mijn speciale interesse hebben. Bij Bureau Flore heb ik inmiddels meer dan 350 intelligentieonderzoeken afgenomen. De onderzoeken bij kinderen die vermoedelijk dubbel bijzonder zijn hebben daarbij een speciale plek in mijn hart gekregen.

Juist bij deze kinderen is het belangrijk om verder te kijken dan gedrag. Er wordt vaak gefocust op het gedrag dat deze leerlingen laten zien, zonder dat er gekeken wordt naar hun cognitieve capaciteiten. Interventies die gericht zijn op waarneembaar gedrag hebben vaak geen effect, wanneer er niet kritisch gekeken wordt naar het leerstofaanbod dat deze kinderen aangeboden krijgen. Tegelijkertijd kan het ook lastig zijn om kinderen voldoende uitdaging te bieden, bijvoorbeeld wanneer zij veel individuele begeleiding nodig hebben om deze leerstof daadwerkelijk te kunnen (of durven…) maken. Een complexe puzzel.

Tijdens een intelligentieonderzoek probeer ik niet alleen inzicht te krijgen in cognitieve capaciteiten, maar ook in de manier waarop een kind leert, denkt en informatie verwerkt. Dat vraagt soms om nét wat meer maatwerk. Hoe zorg je ervoor dat een kind zich veilig genoeg voelt om te laten zien wat het kan? Hoe houd je rekening met prikkelgevoeligheid, behoefte aan voorspelbaarheid of moeite met concentratie? Welke omstandigheden helpen een kind om tot zijn recht te komen?

Dat zijn precies de puzzels die ik zo interessant vind.

Want achter elk profiel, elke testscore en elk gedrag zit een uniek kind met eigen talenten, uitdagingen en behoeften. En juist wanneer we bereid zijn om verder te kijken dan de eerste indruk, ontstaat er ruimte om kinderen écht te begrijpen.

Misschien is dat wel de belangrijkste les die ik heb geleerd sinds die eerste stage: niet alles is wat het op het eerste gezicht lijkt. En juist daarom blijf ik het zo bijzonder vinden om samen met kinderen, ouders en scholen op zoek te gaan naar wat een kind nodig heeft om te kunnen groeien. En juist daarom ben ik stiekem blij als ouders met hun (vermoedelijk) dubbel bijzondere kind bij mij aankloppen. Want dan weet ik: ik mag weer bijdragen aan het oplossen van een complexe (en zeer belangrijke!) puzzel.

Wil je meer weten over intelligentie-onderzoek bij (vermoedelijk) dubbel bijzondere kinderen? Kijk dan hier.