7 jaar was hij, de jongen die vandaag bij mij kwam. Hij heeft net iets andere interesses dan leeftijdsgenootjes en heeft een enorme algemene kennis. Zijn woordenschat is groot en hij houdt ervan als dingen kloppen. We spelen een spel met een muis, die we kunnen redden met een blokje kaas. Hij fronst zijn wenkbrauwen en zegt: ‘wist je dat muizen eigenlijk helemaal niet van kaas houden?’. Hij voegt er direct aan toe: ‘ratten lusten wel kaas, dus misschien is het geen muis, maar een rat?’.
Zijn ouders vertellen dat het contact met leeftijdsgenootjes vaak lastig is. Veel andere 7-jarigen spelen gewoon een bordspel met een muis en kaas, en stellen daar weinig kritische vragen bij. Ook lijken ze de complexe zinnen die hun zoon formuleert, niet altijd te begrijpen. Hij wordt niet gepest: in de pauze mag hij altijd meespelen en hij wordt ook geregeld uitgenodigd voor kinderfeestjes. Maar echte, diepe vriendschappen (waar hij juist zo’n behoefte aan heeft!) blijven uit.
Op school zijn er vragen over de sociale vaardigheden van deze jongen. Weet hij wel hoe hij contact moet maken en vriendschappen moet sluiten? Ouders kloppen bij mij aan en vragen of ik eens mee wil denken. Dus praat ik natuurlijk ook met het jongetje zelf. Als ik hem vraag naar de kinderen in zijn klas, vat hij de situatie heel treffend samen. Hij zegt: ‘misschien ben ik wel hun vriend, maar ze zijn niet mijn vriend’.
Ik blijf het fascinerend vinden hoe zo’n jong kind zóveel inzicht kan hebben in sociale situaties, en dit inzicht ook bijzonder goed kan verwoorden. En ik blijf het lastig vinden dat sommige kinderen al snel worden bestempeld als ‘minder sociaal vaardig’, terwijl deze kinderen soms juist een voorsprong hebben op sociaal vlak.
En deze jongen? Die maakte de overstap naar voltijds hoogbegaafdenonderwijs en vond daar de vrienden waar hij zo naar verlangde. Soms hoeft een kind niet eerst te leren hoe het beter kan aansluiten. Soms heeft het vooral kinderen nodig bij wie het al vanzelfsprekend aansluit.